Mijn geest is er al een tijdje klaar voor en de mond loopt er al langer van over. Ik ben toe aan een nieuwe stap. Al is het misschien eerder nog een sprong. Niet gespeend van enige bescheidenheid en geenszins wars van arrogantie, zou het zaterdag gaan gebeuren.
Een gloeiende zon staat hoog aan de hemel en verwarmt het terras terwijl ik samen met twee klasgenoten voor de prijs van twee euro een uiterst beroerde bak koffie naar binnen giet. Zo snel mogelijk. Bij martelende troost als deze kun je maar beter de pleister er in ene af rukken. Daarbij mogen we geen tijd verspillen.
De rondgang langs de nijverheid van Utrecht brengt ons tenslotte op de bovenverdieping van een uiterst sober ingericht zaakje. Vier stoelen en drie kasten waar ze bij de inrichting niet bang zijn geweest voor wit. Ik laat me er niet door afleiden.
Ik ben zwanger van pretentie en stiekem bang dat het een miskraam wordt. Dat zou vervelend zijn, want dat maakt zo'n bende. Ik laat er niks van merken. Mijn kompanen drukken mij op het hart dat ik de juiste keuze maak en ook de lieftallige dame knikt tevreden. De keuze lijkt gemaakt.
Glunderend van geluk zit ik de volgende dag op de bank. Ik ga mij in het diepe gooien. Het is zondag en ook vandaag zal de zon mijn gelaat strelen. Alleen dit keer is er iets veranderd. De man in mij is opgestaan. Met rechte rug en een strakke blik stap ik naar buiten.
Drie kwartier later grijp ik de deurknop weer vast en zoek haastig de sleutels van mijn onderkomen. Het zweet staat op mijn rug en voorhoofd. Ik ben blij dat het voorbij is. Met trillende handen bevrijd ik mijn voeten uit het witte leer. Twee flinke blaren leren me dat de geest er dan wel klaar voor is, het lichaam allerminst.